12
Aug
2014

Samen software maken: wie heeft het auteursrecht?

Het komt vaak voor dat software of een app wordt ontwikkeld door meerdere personen. Zo kan het zijn, dat een programmeur het automatiseringsidee van een ander uitwerkt tot een computerprogramma. Maar aan wie komen de auteursrechten die rusten op software waaraan meerdere partijen een bijdrage leveren?

De Auteurswet zegt in beginsel: het recht komt toe aan de partij die de creatieve keuzes maakt bij de totstandbrenging van de software. Dit is in de regel de programmeur/ontwikkelaar. De partij die het automatiseringsidee heeft en de relevante vakkennis aanlevert, moet op zijn tellen passen. Zonder schriftelijke afspraken, heeft hij in beginsel geen auteursrecht.

De auteurswet sluit echter niet uit dat een ontwikkelaar zijn auteursrecht automatisch deelt met een ander. Dat is het geval als die ander eigen creatieve inbreng heeft in de totstandkoming van het computerprogramma. In vakjargon: de software moet het ‘persoonlijk stempel’ van de ander dragen. Wanneer daar sprake van is, is de ander mede-auteursrechthebbende.

De Rechtbank Midden-Nederland heeft in een recent kortgedingvonnis zich een oordeel gevormd over de vraag of er sprake is van gedeeld auteursrecht. De casus in deze zaak luidt als volgt: advies- en ondersteuningsbureau Linkkers is in 2013 samen gaan werken met PriHealth, dat zich bezig houdt met het ontwikkelen van software ten behoeve van de zorg. Linkkers stelt dat zij door deze samenwerking mede-auteursrechthebbende is geworden op een computerprogramma, en dat PriHealth inbreuk maakt op haar mede-auteursrecht door zonder haar toestemming het computerprogramma openbaar te maken en te verveelvoudigen.

De rechter oordeelt:

“Op grond van het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 10 Auteurswet (Aw) komen voor auteursrechtelijke bescherming die werken in aanmerking die voldoende oorspronkelijk zijn en een eigen karakter hebben en bovendien het persoonlijk stempel van de maker dragen. Dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan het werk van een ander. Om te voldoen aan de eis dat het werk het persoonlijk stempel van de maker moet dragen, zal sprake moeten zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengselen zijn van de menselijke geest (Hoge Raad, 30 mei 2008, NJ 2008, 556; Endstra-tapes).”

Vervolgens past de rechter deze criteria toe op de inbreng van Linkkers in de samenwerking met PriHealth:

“Linkkers heeft in het bestek van dit kort geding geen feiten gesteld waaruit kan worden opgemaakt wat haar inbreng is geweest bij het ontwikkelen van de softwareapplicatie zorgIQ. Zij volstaat met de stelling dat Linkkers en PriHealth eendrachtig hebben samengewerkt om de applicatie te bouwen, waarbij zowel de inhoud als de structuur van de applicatie het gevolg is van op elkaar afgestemde eigen – scheppende – intellectuele keuzes van zowel PriHealth als Linkkers, zonder deze keuzes te beschrijven. Ook zonder dat Linkkers over de verlangde bescheiden beschikt, moet het mogelijk worden geacht een dergelijke beschrijving te geven. Dit laat Linkkers na. Door Linkkers is concreet gesteld noch onderbouwd welke (creatieve) keuzes zijn gemaakt en op welke wijze de vorm van de applicatie – mede – het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes van (medewerkers van) Linkkers. Weliswaar blijkt uit een door Linkkers overgelegde productie dat veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden tussen medewerkers van Linkkers en van PriHealth, maar uit dit stuk kan niet worden opgemaakt wat daarbij is besproken. Daarbij is van belang dat PriHealth heeft aangevoerd dat de bemoeienis van Linkkers voornamelijk zag op het inbrengen van haar contacten met huisartspraktijken, opdat deze als potentiële afnemer benaderd konden worden. Het feit dat Linkkers tijd heeft geïnvesteerd en kennis ter beschikking heeft gesteld en zogenoemde “zorgpaden” en overig materiaal heeft aangeleverd, vormt evenmin voldoende onderbouwing omdat een nadere concretisering op dit punt ontbreekt. Dit voorgaande klemt omdat de “zorgpaden” volgens beide partijen grotendeels – al dan niet via internet – van derden werden betrokken en daarom niet zonder meer gesproken kan worden van een oorspronkelijk karakter. Daar komt bij dat, zo er al wijzigingen zijn aangebracht in de door Linkkers aangeleverde “zorgpaden” niet duidelijk is geworden of deze wijzigingen zijn toe te dichten aan Linkkers en evenmin dat deze een eigen, oorspronkelijk karakter bezitten. Naast het voorgaande heeft Linkkers niet inzichtelijk gemaakt op welke wijze het genoemde overige materiaal voldoende oorspronkelijk is en een eigen karakter heeft en bovendien het persoonlijk stempel van (medewerkers van) Linkkers draagt.”

Als je aan de ontwikkeling van software een bijdrage levert en zelfs als de software jouw idee is, is het niet eenvoudig om aan te tonen dat je (mede-)rechthebbende bent. Enkel de nauwe samenwerking en veelvuldig overleg bijvoorbeeld zijn niet voldoende, zo blijkt uit bovenstaande zaak. De IT-jurist adviseert daarom om altijd schriftelijke afspraken te maken met de externe partijen die de ontwikkeling van de software verzorgen.